BLOG JELMER | 12 mei 2026

De gebruiker centraal in stedelijke ontwikkelingen

Track Stedelijke Transformatie.

 
 
 
 

Complexiteit van ‘de gebruiker centraal’

In het vorige artikel van de track Stedelijke Transformatie doken we in de meervoudigheid van de gebruiker van de stad. We zagen hoe complex het speelveld is, waarin beleidskaders, ruimtelijke ambities en maatschappelijke verwachtingen continu op elkaar inwerken. Juist daarom vraagt het om aandacht, nieuwsgierigheid en het lef om soms even stil te staan bij de vraag: voor wie doen we dit eigenlijk?

Die vraag willen we in dit artikel verder uitpakken. Want theorie en intentie zijn één ding, de praktijk is vaak uitdagend. Hoe gaat het er nu echt aan toe wanneer we gebruikers centraal proberen te stellen? Welke voorbeelden laten zien wat werkt, en waar leren we nog?

In dit vervolg nemen we je mee langs concrete praktijkvoorbeelden. Niet om het antwoord te vinden, maar om te ontdekken welke beweging al in gang is, waar we van kunnen leren en hoe we in de praktijk stap voor stap dichter bij betekenisvolle stedelijke ontwikkeling komen.

 
 
 

Lieke Koldijk..

 
 
 

‘De gebruiker centraal’ in de praktijk 

Onderstaande praktijkvoorbeelden zijn situaties waarin de ambitie om de gebruiker centraal te zetten duidelijk aanwezig was, maar waar gaandeweg bleek hoe ingewikkeld het kan zijn om dat ook echt vol te houden. Het is precies in dit soort momenten, waar idealen botsen met systemen, tijdsdruk en dagelijkse keuzes, dat we waardevolle lessen vinden. Laten we daarom starten met het eerste praktijkvoorbeeld: een casus die laat zien hoe een strategie zich ontwikkelt zodra er mensen, belangen en werkelijkheid aan tafel komen.

De gebruiker centraal in de deelmobiliteit hubs aanpak van de Gemeente Rotterdam

Een goed voorbeeld is het werk van Lieke Koldijk bij de gemeente Rotterdam, waar ze als adviseur deelmobiliteit werkte aan hubs voor deeltweewielers. Het doel: het verminderen van overlast door rondslingerende deelscooters en het verbeteren van de vindbaarheid van deelmobiliteit.

Deze aanpak startte met data: aan de hand van een dashboard werd geanalyseerd waar veel ritten begonnen, eindigden of waar overlast werd gemeld. Deze eerste selectie werd vervolgens besproken met wijkraden. Zij kennen hun buurt immers top op stoepniveau: waar een pad ineens smaller wordt, waar het zicht op een kruising belangrijk is, of waar bewoners al langer tegen rommelige parkeersituaties aanlopen. Door gericht feedback te vragen en tegelijkertijd ruimte te laten voor eigen voorstellen uit de wijk kwam een gezamenlijke shortlist tot stand.

Vervolgens werd elke locatie in de praktijk getoetst met verkeerskundig ontwerpers en landschapsarchitecten op onder andere inpassing in het straatbeeld, behoudt van zichtlijnen op de natuur en veiligheid voor weggebruikers. Na hun goedkeuring werden wijkraden geïnformeerd over de overgebleven locaties waarna directe bewoners volgden. In het creëren van draagvlak hielp het werken met ‘geplakte hubs’. Deze zijn tijdelijk, eenvoudig te verwijderen en daardoor perfect om uit te proberen. Het gaf het projectteam de ruimte om te pionieren, te ervaren hoe een hub werkte in het echte straatbeeld, en ook om eerlijk te erkennen wanneer een locatie toch niet bleek te passen. Dat maakt snel bijsturen mogelijk, zonder hoge kosten of langdurige conflicten. Soms bleek een ogenschijnlijke perfecte locatie in de praktijk namelijk toch niet geschikt. Zo leek een brede stoep in een rustige steeg nabij drukke voorzieningen ideaal. Bij harde wind veranderde dit beeld echter doordat voertuigen regelmatig omvielen en hiermee de straat juiste verrommelde.

In de aanpak kwamen verschillende perspectieven voortdurend samen: bewoners die overlast ervaren, ondernemers die belang hebben bij bereikbaarheid en gebruikers van deelvervoer die gemak verwachten. De uitdaging lag dan ook in het vinden van locaties waar deze belangen samenkomen, binnen de beperkte ruimte van de stad waarin iedere vierkante meter ruimteclaims draagt. Ook speelde het spanningsveld van tijd: het team had de middelen om hubs te realiseren, en er was veel vraag vanuit de stad, maar het zorgvuldig ophalen van stemmen kostte tijd. Daardoor liepen ze soms het risico dat niet alle perspectieven geraakt werden binnen gestelde deadlines.

Uit deze ervaring neemt Lieke drie lessen mee:

  • Ten eerste: neem de tijd voor verschillende perspectieven. Het voorkomt fouten en draagt bij aan vertrouwen vanuit de stad.

  • Ten tweede: gebruik data als startpunt, niet als eindpunt. De kaart geeft richting, maar het echte verhaal ligt buiten. Zowel op straat, bij bewoners en in het gesprek.

  • En tot slot: durf te proberen en bij te sturen. Soms kom je er pas door te doen achter wat wel en niet werkt. Door klein te beginnen, tijdelijk te testen en steeds te leren, ontstaat stap voor stap een betere aanpak.

De gebruiker centraal in gebiedsontwikkelingen in Den Haag

Jelmer-collega Roel Sipkema werkte een jaar als junior projectleider bij het ingenieursbureau van de Gemeente Den Haag.

In een stad waar elke vierkante meter telt, ontdekte Roel hoe lastig het is om het collectieve belang overeind te houden wanneer iedereen vooral vanuit zijn eigen leefomgeving redeneert. Tijdens zijn jaar bij de gemeente Den Haag werkte hij aan herstructureringsprojecten waarin de openbare ruimte simpelweg te schaars was om alle wensen te verenigen. Daar werd zichtbaar dat participatie alleen niet voldoende is. Wanneer ruimte beperkt is en elke plek meerdere claims kent, ligt er een duidelijke verantwoordelijkheid bij de gemeente om keuzes te maken en helder te zijn over de uitgangspunten. Door vanaf het begin duidelijk te maken waar wél en geen ruimte voor invloed is, ontstaat niet alleen rust in het proces, maar krijgen ook onzichtbare belanghebbenden, zoals de natuur en de toekomstige bewoner, daadwerkelijk een plek in de afweging.

Uit Roels ervaring blijkt hoe moeilijk het voor mensen is om voorbij hun eigen directe belang te kijken. Een voorbeeld dat hem bijbleef, was de transformatie van landbouwgrond naar een natuurgebied naast een tuincentrum in Den Haag. Voor de natuur en toekomstige bezoekers betekende dit een duidelijke winst. Toch was het tuincentrum fel tegen, uit angst voor parkeerdruk. Het mooiere uitzicht en de ecologische meerwaarde wogen voor hen niet op tegen de mogelijke overlast. Niet omdat zij onwelwillend waren, maar omdat collectieve en langetermijnbelangen vaak abstract blijven en niet direct raken aan het eigen gebruik.

Die dynamiek maakt participatie complex. In de praktijk ontstaat betrokkenheid vaak pas wanneer mensen iets dreigen kwijt te raken. Paradoxaal genoeg kan een uitgebreid participatieproces dit zelfs versterken: doordat de huidige gebruiker centraal komt te staan, verdwijnen stille belanghebbenden, zoals natuur, toekomstige bewoners of minder zichtbare groepen, juist verder naar de achtergrond.

Deze spanning raakt aan het bredere pleidooi van denkers als Joris Luyendijk en Andy McSmith, die stellen dat stedelijke ontwikkeling moet verschuiven van een antropocentrische naar een ecocentrische benadering. Niet alleen de mens, maar het volledige ecosysteem zou daarbij uitgangspunt moeten zijn. Volgens Roel vraagt dit om lef: lef om belangen expliciet op tafel te leggen, juist wanneer ze niet vanzelf onderdeel zijn van het gesprek.

Tegelijkertijd vraagt de praktijk om een realistische en toekomstgerichte blik. In herstructureringsprojecten blijkt de ruimte voor een volledig open gesprek vaak beperkt. Fysieke schaarste, regelgeving en langetermijndoelen zorgen ervoor dat veel keuzes al in een vroeg stadium vastliggen. Participatie gaat daardoor zelden over álle mogelijke opties, maar eerder over hoe met de resterende speelruimte wordt omgegaan. Dat betekent ook dat elke oplossing vrijwel altijd óók een probleem is voor iemand anders.

Juist daarom benadrukt hij het belang van duidelijke kaders aan de voorkant. Wat kan wel? Wat kan niet? En waar zit echt ruimte voor eigen invulling? Als alles open lijkt te liggen, ontstaat al snel de indruk dat elk idee gelijke invloed heeft, met teleurstelling als onvermijdelijk gevolg. Door vanaf het begin transparant te zijn over die grenzen, ontstaat er rust in het proces. Zelfs wanneer beslissingen op de korte termijn niet in het voordeel van de huidige gebruiker lijken te zijn, helpt die eerlijkheid om het gesprek constructief te houden en vertrouwen op te bouwen.

Drie lessen die Roel meeneemt uit zijn ervaring zijn:

  • Ten eerste: wees eerlijk over de kaders en verwachtingen vanaf dag één.

  • Ten tweede: benoem het collectieve belang expliciet, ook als het niet direct voelbaar is voor de huidige bewoner.

  • En tot slot: participatie draait om luisteren en uitleggen, niet om iedereen tevredenstellen.

Echte verandering ontstaat daar waar participatie wordt gecombineerd met duidelijke keuzes, transparante communicatie en de moed om ook de belangen zonder stem mee te laten wegen. Juist in een stad waar de ruimte schaars is.

 
 
 
 

Liv Kooreman.

 
 

De gebruiker centraal in het toekomstbestendig maken van de Amsterdamse kades

Collega Liv Kooreman werkte als Strategisch Omgevingsmanager bij het programma van Bruggen en Kademuren van de Gemeente Amsterdam. Haar rol is anders dan die van de collega's in dit artikel: ze is vooral actief aan de voorkant van het proces. In die fase ligt de nadruk op het uitdenken van de grote lijnen en het afstemmen met interne en externe stakeholders. Contact met bewoners maakt daar doorgaans geen onderdeel van uit, al kan het in sommige gevallen wel waardevol zijn. De aard van het werk blijft wel hetzelfde; het ophalen van draagvlak om samen tot gedragen keuzes te komen.

Het vraagstuk waar ze aan werkt is voor veel steden steeds urgenter: wat doe je met kades en bruggen die aan het einde van hun technische levensduur zijn, maar tegelijkertijd onmisbaar zijn voor de verbinding in een stad die constant in beweging is?

Een van de meest wezenlijke vragen in Liv’s werk is: wanneer kies je ervoor om het bestaande systeem los te laten en echt toe te werken naar de stad die we in de toekomst willen zijn? Bij de kades betekent dat concreet: moet zwaar vrachtverkeer altijd over de weg blijven gaan, of is er een toekomst denkbaar waarin transport vaker over water plaatsvindt? Niet als zwaar logistiek systeem, maar als bewuste keuze voor leefbaarheid en duurzaamheid.

Dat klinkt abstract, maar in de praktijk raakt het direct aan de vraag voor wie de stad eigenlijk ingericht wordt. De huidige weggebruiker? De omwonende die dagelijks trillingen voelt van passerende vrachtwagens? Of de toekomstige bewoner die op een rustige, groene en bovenal veilige kade wil leven?

Wat opvalt in Liv's werk is de bewuste keuze in wie ze betrekt. In plaats van bewoners, benadert ze gebiedsmakelaars: mensen die de wijk kennen, vertrouwen hebben opgebouwd en de nuances begrijpen die je in een formeel participatieproces soms mist. Tegelijkertijd trekt ze experts aan tafel die veel belang hebben bij de kade: Waternet, de boomexpert en de stakeholders die over de bereikbaarheid over land en water gaan. Al deze belangen samen vormen een complexe puzzel. Achter elke keuze gaan uiteenlopende perspectieven schuil die eerst begrepen moeten worden voordat ze gewogen kunnen worden. Dat vraagt om een constante afweging: wanneer kies je voor wat goed is, en voor wie?

Haar taak is om de feitelijke situatie zo helder mogelijk neer te leggen, zonder oordeel, maar met alle consequenties in beeld. Dat vraagt om onderzoek, om veel gesprekken, en om goed doorvragen naar waar belangen echt vandaan komen. En het vraagt om eerlijkheid over de dilemma's die er spelen. Die eerlijkheid wordt gewaardeerd. Het is de basis voor vertrouwen. Door deze aanpak konden stakeholders meedenken over wat écht noodzakelijk is en wat acceptabel is om los te laten.

In de openbare ruimte is nooit een collectief belang, maar er is wel een gedeeld doel, en dat doel moet je goed kunnen uitleggen. Juist dat maakt het verschil tussen een beslissing die weerstand oproept en één die gedragen wordt.

In Liv’s werk wordt de (toekomstige) bewoner wel degelijk meegenomen, alleen (nog) niet via participatiebijeenkomsten. Het programma Bruggen en Kademuren komt voort uit het langetermijnbeleid van de Gemeente Amsterdam. Dat beleid biedt houvast: het waarborgt de belangen van wie er nog niet is, en maakt het mogelijk om keuzes te onderbouwen die verder reiken dan de wensen van de huidige gebruiker.

Dat vraagt om een ander soort lef dan bij de deelmobiliteitshubs of de herstructurering in Den Haag. Het vraagt om het lef om afscheid te nemen van een systeem dat vertrouwd is, ook als de noodzaak nog niet voor iedereen voelbaar is.

De drie inzichten die Liv meeneemt uit haar werk zijn:

  • Ten eerste: weet wie je aan tafel haalt. De strategische voorkant vraagt andere gesprekspartners dan het participatieproces verderop in het traject. Bovendien is dit geen vast gegeven; het verschuift mee met de fase en de opgave. Die keuze bewust maken is al het halve werk.

  • Ten tweede: leg de feitelijke situatie neer. Transparantie over wat de gevolgen zijn van elke keuze. Eerlijkheid over dilemma's bouwt vertrouwen.

  • En tot slot: vertrouw erop wanneer je voldoende weet. Snelheid en zorgvuldigheid zijn allebei een belang, en de kunst is om daarin steeds de juiste balans te vinden. 

De gebruiker centraal is dynamisch

Uit de praktijkvoorbeelden komt een duidelijke rode draad naar voren. Het centraal stellen van de gebruiker vraagt om het bewust ophalen van verschillende perspectieven, maar ook om het vinden van balans: voldoende ruimte om te luisteren, zonder stil te blijven staan in het proces.

Dit vraagt om lef. Lef om keuzes te maken, ook wanneer die niet direct op draagvlak kunnen rekenen, en om systeemkeuzes te maken die gericht zijn op de toekomst. Transparantie is daarbij essentieel: door helder uit te leggen welke afwegingen zijn gemaakt en wat dit betekent voor de stad, ontstaat begrip, ook als niet iedereen het eens is. Data, beleid en technische analyses helpen om richting te geven aan de keuzes, maar de echte nuance zit buiten: op straat, in lokale kennis, in wat er gebeurt als je iets daadwerkelijk probeert.

Tegelijkertijd betekent ‘de gebruiker centraal’ niet dat alle belangen samenkomen. In de praktijk blijkt dat het vaak nodig is om langetermijndoelen zwaarder te laten wegen, ook als dit vraagt dat huidige bewoners een stap terug doen. Tegelijkertijd zijn er ook situaties waarin juist hun belang leidend is.

Vertrouwen vormt hierin de basis. Dat groeit niet in één moment, maar over tijd, door aanwezigheid, eerlijkheid en het vermogen om mee te bewegen. Juist door goed te luisteren, transparant te zijn en toe te geven wanneer iets niet werkt, ontstaat een fundament waarop verdere samenwerking kan bouwen.

Tot slot laten de drie voorbeelden zien dat er geen vaste aanpak is. De snelheid, schaal en aard van een project bepalen hoe en wanneer stakeholders betrokken worden. Dit vraagt per opgave om een bewuste keuze: wat is hier nodig om tot zorgvuldige en gedragen stedelijke ontwikkeling te komen? Hiermee bestaat de gebruiker centraal zetten niet uit één vaste toepasbare aanpak maar is juist dynamisch.


 
 

Dit artikel is onderdeel van onze reeks “de gebruiker van de stad”. Benieuwd naar meer? In ons eerste artikel rond dit thema onderzoeken we wie de gebruiker van de stad nu eigenlijk is en of we wel echt iedereen meenemen in ons stedelijk beleid en ontwerp.